Je bekijkt nu Plinius de Jongere: christenvervolging

Plinius de Jongere: christenvervolging

‘Plinius beschrijft dat christenen weigerden keizer- en godenbeelden te aanbidden, bijeenkwamen en moreel leefden; hij vroeg Trajanus om strafregels—die beval: niet opsporen, berecht als ze worden aangebracht, genade bij afzwering.’ (5 minuten leestijd)

Niet-Bijbelse bron: 1e eeuw n.Chr

Weet u niet zeker wat u over de Bijbel moet geloven? Is het feit of fictie? Het bewijs voor de historische betrouwbaarheid van de Bijbel moeten we zoeken in niet-Bijbelse bronnen. Bijvoorbeeld in geschriften van Plinius. Daarmee reizen we terug naar de 1e eeuw n.Chr.

Plinius

Gaius Plinius Caecilius Secundus minor (ca. 61–114 n.Chr.) was gouverneur van Bithynia, in het huidige noordwesten van Turkije. Plinius schreef tien boeken, de Epistulae (brieven). De boeken I–IX bevatten correspondentie met vrienden; het later toegevoegde boek X bevat brieven aan keizer Trajanus.

Keizer Trajanus

Marcus Ulpius Traianus was keizer van Rome van 98–117 n.Chr. In 98 n.Chr. ontving het volk hem warm. Hij maakte zich geliefd door gevangenen vrij te laten die sinds Domitianus vastzaten en door bezit terug te geven dat Domitianus had ingenomen. De senaat gaf hem de titel optimus, ‘de beste’. Onder hem bereikte het rijk zijn grootste omvang. Na zijn dood gold Trajanus als model-keizer. Tot in Byzantijnse tijden inaugureerde men nieuwe keizers met een wens om beter te zijn dan Trajanus.

Sociaal probleem en Plinius’ brief

Rond 112 n.Chr. schreef Plinius een brief (Epistulae X.96) aan keizer Trajanus. Hij meldde daarin dat hij in zijn provincie veel christenen aantrof. Hij noteerde hun gedrag en vroeg om advies.

  • De christenen weigerden het beeld van de keizer te aanbidden.
  • Zij weigerden ook de beelden van de goden te aanbidden.
  • Ze kwamen op een vaste dag bijeen vóór zonsopgang.
  • Zij zongen lof voor Christus alsof hij een god was.
  • Ze legden een eed af om geen misdaden te plegen.
  • Ze leefden voorbeeldig: men vond geen bedrog, overspel, diefstal of oneerlijkheid onder hen.

Ondanks economische sancties nam het aantal christenen toe. Daardoor ontstond een belangrijk sociaal en economisch probleem. Plinius voerde de doodstraf in voor niet-Romeinse onderdanen die het geloof bleven belijden. Christenen met Romeins burgerschap plaatste hij op transportlijsten naar Rome. Deze tegenstrijdigheid tussen gedrag en sociale onrust verontrustte Plinius. Daarom vroeg hij de keizer om richtlijnen.

Het onderzoek van Plinius

Plinius schreef: het is mijn gewoonte, Heer, u problemen voor te leggen die ik niet kan oplossen. Wie kan mij beter raad geven? Ik weet niet wanneer christenen gestraft moeten worden of hoe zwaar die straffen moeten zijn. Ook vroeg ik mij af of ik onderscheid moest maken naar leeftijd. Moet ik berouw belonen? Moet ik straffen omdat iemand christen is of vanwege concrete misdrijven?

Voorlopig handelde ik als volgt. Ik vroeg de aangeklaagden of ze christen waren. Als zij dat toegaven, stelde ik die vraag een tweede en derde keer onder dreiging van de dood. Bleven zij bij hun ‘ja’, dan liet ik hen terechtstellen. Ik vond dat koppigheid moest worden bestraft, ongeacht de inhoud van hun geloof. Romeinse burgers die hetzelfde deden, schreef ik voor transport naar Rome in.

Door mijn onderzoek nam het aantal zaken toe. Iemand gaf mij een lijst met veel namen, maar wilde anoniem blijven. Sommige aangeklaagden ontkenden dat ze christen waren. Ik beval hen de goden aan te roepen, wierook en wijn te offeren voor uw beeltenis en de naam van Christus te vervloeken. Wie dat deed, liet ik vrij. Men zei dat echte christenen dat nooit zouden doen.

Anderen hadden eerst toegegeven maar ontkenden later. Ook zij aanbaden toen uw beeld, offerden en vervloekten Christus. Zij zeiden dat zij vroeger christen waren geweest. Hun fout bestond eruit dat zij op een vaste dag vóór zonsopgang bijeenkwamen. Zij zongen liederen waarin Christus als God werd verheerlijkt. Bovendien beloofden zij plechtig geen diefstal, moord of overspel te begaan en hun beloften niet te breken. Daarna aten zij samen een eenvoudige maaltijd. Nadat ik uw bevel had uitgevoerd en een verbod op verenigingen had uitgevaardigd, hielden zij er mee op. Dat was alles wat zij toegaven. Daarom liet ik twee slavinnen op de pijnbank leggen om de waarheid te achterhalen. Ik vond niets anders dan wat ik als bijgeloof beschouw.

Daarom stelde ik verder onderzoek uit en raadpleegde ik u. Dat leek mij noodzakelijk wegens het grote aantal: mensen van alle leeftijden en standen, mannen en vrouwen, werden beschuldigd en het hield niet op. Niet alleen de steden maar ook het platteland leed onder dit bijgeloof. Toch geloof ik dat men deze beweging kan tegenhouden. Immers, tempels die bijna verlaten waren, vullen zich weer; oude erediensten hervatten; men offert opnieuw vee. Daardoor kun je veel mensen van hun dwaasheid terugbrengen.

Antwoord van Trajanus

Trajanus antwoordde: U hebt, mijn waarde Plinius, op juiste wijze gehandeld tegenover degenen die als christenen bij u waren gebracht. Want je kunt hiervoor geen algemene regels maken. Jaag hen niet actief op. Als ze worden aangebracht en schuldig bevonden, moeten ze worden gestraft. Wie ontkent christen te zijn en dat aantoont door onze goden te aanbidden, moet vergiffenis krijgen. Lijsten van onbekenden mogen geen rol spelen in aanklachten; dat zou een slecht voorbeeld zijn.

Reis verder terug in de tijd…

Cornelius Tacitus, Romeins historicus, bevestigt dat Christus door Pontius Pilatus werd gekruisigd; Nero vervolgde christenen wreed na de brand van 64 n.Chr., met martelingen en openbare executies. Lees verder.