‘Ontdek waarom niet Gods Wet maar onze overtredingen aan het kruis genageld werden; Christus het doel van de Wet is. Paulus wijst op menselijke verordeningen, genade breekt zondemacht zonder de Wet af te schaffen.‘ (10 minuten leestijd)
Vervuld, afgeschaft en afgedaan!
Door het verdraaien van het Woord verkondigt het christendom eeuwenlang dat Gods Wet (Hebr. “torah“) “aan het kruis is genageld”. Christenen zouden “niet onder de wet” staan; de wet zou “vervuld”, “buiten werking gesteld”, afgeschaft en afgedaan zijn.
De wet is aan het kruis genageld!
“En Hij heeft u, toen u dood was in de overtredingen en het onbesneden zijn van uw vlees, samen met Hem levend gemaakt door u al uw overtredingen te vergeven, en het handschrift dat tegen ons getuigde, uit te wissen. Dit handschrift was met zijn bepalingen tegen ons gericht, en Hij heeft dat uit het midden weggenomen door het aan het kruis te nagelen” (Kol. 2:13–14).
Het woord ‘handschrift’ is het Griekse cheirographon: een handgeschreven akte. Het duidt op een ondertekende schuldbekentenis of schuldigverklaring. Als een schuld was afbetaald, maakte men de cheirographon ongeldig door die met een scherp voorwerp te doorboren.
Men gebruikte de cheirographon ook bij kruisigingen. Alle aanklachten werden op een stuk perkament geschreven en aan het kruis van de misdadiger vastgenageld, zodat iedereen kon zien waarvoor hij was veroordeeld. In het Latijn heette die schriftelijke aanklacht titlos; Johannes gebruikt titlos voor de beschuldiging die in drie talen op het kruis van Jezus hing (Joh. 19:19–20).
Kortom: onze overtredingen van de wet werden aan het kruis genageld, niet de wet zelf. Jakobus waarschuwt: “Spreek geen kwaad van elkaar, broeders en zusters, en veroordeel elkaar niet. Want als u dat doet, veroordeelt u de wet van God die zegt dat wij elkaar moeten liefhebben. Het is niet aan u om uit te maken of die wet goed of slecht is. Wat u moet doen, is die wet gehoorzamen!” (Jak. 4:11).
Wij zijn niet onder de wet, maar onder de genade!
In Romeinen 6:14 zegt Paulus dat we niet onder “de wet” zijn. Paulus bedoelt in Romeinen meerdere soorten “wetten”: de wet van het geloof (Rom. 3:27), de wet van God (Rom. 7:22; 8:7), de wet van de zonde (Rom. 7:23, 26), de wet van de zonde en van de dood (Rom. 8:2), de wet van de Geest van het leven (Rom. 8:2) en de wet van de gerechtigheid (Rom. 9:31).
Welke wet bedoelt Paulus in Romeinen 6:14? Het antwoord volgt uit hetzelfde vers: “Want de zonde zal over u niet heersen.” Wat is zonde? “Ieder die zondigt, overtreedt Gods wet; want zondigen is Gods wet overtreden” (1 Joh. 3:4). Dus: als we onder de genade zijn en niet onder de wet, zal de zonde niet over ons heersen. Andersom: wie wel onder de wet en niet onder de genade staat, zal door de zonde worden beheerst.
Paulus schrijft ook: “Moeten we nu vaststellen dat de wet hetzelfde is als de zonde? Absoluut niet. Ik ben me echter pas door de wet bewust geworden van de zonde. Ik zou immers niet weten wat begeerte was als de wet niet zei: ‘Zet uw zinnen niet op wat van een ander is'” (Rom. 7:7). De wet kan dus niet zelf zonde zijn; zij definieert juist wat zonde is. Zonder Gods wet is er geen maatstaf voor zonde en geen reden om onder genade te staan.
Als het niet om Gods Wet gaat, over welke wet heeft Paulus het dan wel? Het is de “wet van de zonde en de dood“ waar men niet onder staat, omdat men onder de genade staat.
Jezus heeft met zijn lichaam de wet buiten werking gesteld?
“Want hij is onze vrede, hij die Joden en niet-Joden tot één volk heeft gemaakt en de muur van vijandschap die tussen hen stond, heeft afgebroken, door met zijn lichaam de wet met haar geboden en voorschriften buiten werking te stellen” (Ef. 2:14–15, GNB).
Het Griekse woord vertaald als “geboden” is dogma. Dat woord duidt in de Bijbel vaak op menselijke verordeningen: keizerlijke besluiten (Luc. 2:1; Hand. 17:7), beslissingen van apostelen en ouderlingen (Hand. 16:4). Dogma slaat gewoonlijk op burgerlijke, ceremoniële of kerkelijke wetten, niet op de Wet van God.
In Efeziërs 2 spreekt Paulus daarom niet over het buiten werking stellen van Gods Wet, maar over het wegvallen van menselijke verordeningen die Joden en niet-Joden van elkaar scheidden. Deze verordeningen veroorzaakten een fysieke muur tussen de groepen. De Naardense Bijbel vat dit zo samen: Christus brak die scheiding af door met zijn vlees de menselijke inzettingen buiten werking te stellen, zodat Hij twee groepen herschiep tot één nieuwe mens en zo vrede stichtte.
Want Christus is het einde van de wet!
“Want het einde der wet is Christus” (Rom. 10:4 — SV). Het Griekse telos betekent doel of einde in de zin van het te bereiken doel. Om te begrijpen waarom Christus het telos van de wet is, leest men de tekst in context.
Paulus spreekt over mensen die God willen dienen maar niet ondervinden wat Zijn rechtvaardigheid betekent; zij trachten een eigen gerechtigheid op te bouwen. Christus is het doel van de wet en biedt rechtvaardigheid aan gelovigen. Rechtvaardigheid omvat zowel Gods trouw aan Zijn beloften als gehoorzaamheid aan Zijn geboden (Deut. 6:25). Ook wie opkomt voor de armen en verdrukten handelt in rechtvaardigheid (Deut. 24:10–22).
1 Johannes 2:1–7 leert dat Jezus bij de Vader als “de rechtvaardige” een verzoening is voor onze zonden. Gelovigen dienen te wandelen zoals Hij wandelde en de geboden te bewaren. Johannes stelt dat dit geen nieuw gebod is, maar het oude gebod dat men van het begin af heeft. Wie in de praktijk die rechtvaardigheid doet, toont zich een gelovige in Christus.
Als volgelingen van Christus is ons telos om Gods wet te bewaren, aan Christus gelijk te worden en zo door God tot rechtvaardigheid gerekend te worden. Romeinen 10:4 sluit daarmee aan op Jezus’ woorden in Mattheüs 5:17–18: Hij kwam niet om de Wet of de Profeten af te schaffen, maar om ze te vervullen; niets van de Wet zal voorbijgaan voordat alles is geschied.
Jezus kwam om de wet te vervullen en gaf een voorbeeld om in te wandelen (1 Joh. 2:6).
Wij hoeven het zware juk van de wet niet te dragen!
In Handelingen 15 staat een besluit dat vaak wordt aangehaald: de vergadering in Jeruzalem, onder leiding van Jakobus, behandelde de vraag of bekeerde heidenen aan de Wet van Mozes moesten worden gehouden. De context toont dat men besliste dat de nieuw bekeerde heidenen zich moesten afkeren van afgodische praktijken (zoals bloeddrinken, tempelprostitutie en het eten van verstikte dieren) en dat men hen op de sabbat onderwezen zou hebben in Gods Wet.
De oudsten benadrukten dat het onderhouden van de Wet de vrucht van verlossing is, niet de weg ernaartoe.
…maar Jezus Christus bracht ons genade en waarheid!
“Want Mozes heeft ons de wet gegeven; maar Jezus Christus bracht ons genade en waarheid.” (Johannes 1:17 — veel vertalingen voegen ‘maar’ toe.) Het woord ‘maar’ introduceert contrast en kan de indruk wekken dat Jezus de wet buiten werking stelde. Dergelijke interpretaties halen citaten soms uit hun context om een theologische stelling te ondersteunen die met andere Bijbelteksten lijkt te botsen. Petrus waarschuwt dat sommige mensen Paulus’ brieven verdraaien; afhankelijk van de vertaling worden zulke mensen aangeduid als wetteloos of goddeloos (Grieks: athesmos).
Paulus valselijk beschuldigd!
Jakobus noteert in Handelingen 21:20–25 dat Paulus valselijk werd beschuldigd van ontrouw aan de Wet. Paulus verklaart in Handelingen 24:13–14 dat hij gelooft wat in de Wet en de profeten staat. Handelingen 25:7–8 noemt opnieuw zware beschuldigingen die hem ten laste werden gelegd, terwijl men geen overtreding van de Wet kon aantonen.
Paulus zegt in Romeinen 3:31: “Doen wij dan door het geloof de wet teniet? Volstrekt niet; maar wij bevestigen de wet.” Bevestigen betekent: vast(er) maken, bekrachtigen, instemmen met — dus beamen.
De valselijke beschuldiging luidde dat Paulus leerde dat Jezus gekomen was om de Wet van de profeten te ontbinden, dat de Wet had afgedaan. Ironisch genoeg lijken veel christelijke tradities juist die conclusie te onderwijzen. Zijn de valselijke beschuldigingen tegen Paulus daardoor gerechtvaardigd geworden?
Valse profeet
Christendom wordt door joden gezien als valse religie: afvallige leer, eeuwenlange antisemitische daden en aanpassing van wetten/feesten; dit verhindert joden Jezus als Messias te accepteren.