‘De Torah: Gods instructies in de eerste vijf Bijbelboeken (613 geboden), samengevat in de Tien Geboden en door Jezus tot twee geboden: liefde voor God en naaste; richten op herstel, geen zonde.’ (3 minuten leestijd)
Torah
‘Torah’ is een Hebreeuws woord dat vaak met ‘wet’ wordt vertaald. Daarnaast betekent het ook ‘instructies’ of ‘onderwijzingen’. Deze instructies staan in de eerste vijf boeken van de Bijbel. Daarom noemt men die boeken ook wel de Torah.
Doel raken
Het woord ‘torah’ komt van het Hebreeuwse ‘yarah’. ‘Yarah’ betekent letterlijk richten of schieten met een boog. Verder betekent het informeren, instrueren en leren. Kortom, yarah duidt op gerichtheid en doelbewustheid met de intentie het doel te raken.
Doel missen
Het tegenovergestelde van yarah en torah is ‘chata’. Dit woord betekent ‘doel missen’ en wordt vertaald als ‘zonde’. Met andere woorden: zonde is het overtreden van Gods torah (1 Joh. 3:4). Wanneer een boogschutter mist, legt hij opnieuw aan en corrigeert hij zijn richten om het doel alsnog te treffen. Zo is zonde een misstap op de weg naar herstel.
Weg, Waarheid en Leven
De torah is het Woord van God en Jezus is het vlees geworden Woord van God (Joh. 14:6). Zoals ze beiden het Woord van God zijn, zijn ze ook beiden de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh. 14:6):
- “Gelukkig wie de volmaakte Weg gaan en leven naar de wet (torah) van de HEER” (Ps.119:1).
- “Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet (torah) is de Waarheid” (Ps.119:142).
- “Het onderricht (torah) van de wijze is een bron van Leven” (Spr.13:14).
De 613 geboden
Gods torah omvat traditiegetrouw 613 geboden, oftewel leefregels. Deze regels vatten men samen in de Tien Geboden.
Tien geboden
Exodus 20 somt de tien (Hebreeuwse) woorden op; in Deuteronomium 5 worden de ’tien woorden’ in herinnering gebracht. In de opvolgende hoofdstukken staat de praktische uitwerking van deze woorden voor in het dagelijks leven. Kort samengevat:
- IK BEN JHWH JULLIE GOD — plaats van wonen, geen andere goden, valse profeten (Deut.11‑13).
- GEEN BEELDENVERERING — grenzen en uitzonderingen (Deut.14‑15:6).
- GEBRUIK VAN GODS NAAM — sociale zorg en rechtvaardigheid (Deut.15:7‑23).
- SABBAT — feesten en rust (Deut.16:1‑17).
- EER JE OUDERS — leiderschap en vaderschap (Deut.16:18‑18:14).
- GEEN DODSLAG — bescherming van leven (Deut.18:15‑21:9).
- GEEN OVERSPEL — juiste seksuele omgang (Deut.21:10‑23:14).
- NIET STELEN — voorkomen van onrechtmatig toe‑eigenen (Deut.23:15‑24:22).
- GEEN VALS GETUIGENIS — evenwichtigheid (Deut.25).
- GEEN BEGEERTE — bevorder vrijgevigheid (Deut.26).
Twee geboden
Jezus comprimeerde de tien geboden tot twee (Matt.22:37‑40). Ten eerste: “U zult de Heere, uw God, liefhebben…” (citerend Deuteronomium 6:5, verwijzend naar de eerste vier geboden). Ten tweede: “U zult uw naaste liefhebben als uzelf” (verwijzend naar de overige zes geboden). Daarom concludeerde Jezus: “Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten.” Dus de wet is niet afgeschaft; zij blijft bindend en richtinggevend.
Gods Liefde
Gods liefde is agape: onvoorwaardelijk, onpartijdig en universeel. Het kiest betrokkenheid boven gevoelens, maakt vijanden liefhebben mogelijk, en vormt gelovigen geleidelijk tot Christus’ beeld.