Je bekijkt nu Amarna brieven

Amarna brieven

Twijfel over de Bijbel? De Amarna-brieven (14e eeuw v.Chr.) tonen Kanaänconflicten met de Habiru, corresponderend met Jozua: ondersteunend archeologisch bewijs voor de Hebreeuwse verovering—ontdek meer. (5 minuten leestijd, 30:04 minuten video)

Niet-Bijbelse bron: 14e eeuw v.Chr

Weet je niet zeker wat je moet geloven over de Bijbel? Is het feit of fictie? Het bewijs of de Bijbel een betrouwbaar historisch verslag is, moeten we zoeken in niet-Bijbelse bronnen zoals de archeologische vondst van de Amarna brieven, waarmee we een ‘Tijdsreis‘ maken. De brieven bieden een venster naar de 14e eeuw v.Chr. en bevestigen de verovering van Kanaän door de Hebreeën!

De Amarna brieven: context en betrouwbaarheid

Sinds 1887 zijn 382 diplomatieke kleitabletten ontdekt nabij El Amarna, dat korte tijd de Egyptische hoofdstad was onder farao Achnaton. De brieven zijn in het Akkadisch spijkerschrift geschreven, de diplomatieke taal van die tijd. Veel teksten richten zich aan de voorganger van Achnaton, farao Amonhotep III. Onder de afzenders bevinden zich koningen van verschillende Kanaänitische stadstaten die rapporteren over strijd met groepen aangeduid als de Habiru.

Veroveringen en overeenkomsten met de Bijbel

Hebron:

Uit de El Amarna (EA) brieven 271, 284 en 366 blijkt dat Hebron een verbond sloot met Jeruzalem en Lachis en met hen ten oorlog trok tegen de Habiru. Bovendien trekken, zoals Jozua 10:5 en 10:36–37 meldt, de koningen van Jeruzalem, Hebron, Jarmuth, Lachis en Eglon met hun legers op tegen de stad Gibeon, die met de Israëlieten vrede had gesloten. Daarom trokken de Israëlieten vervolgens op tegen Hebron en veroverden zij de stad.

Ajalon:

In EA brief 287 meldt men dat de vijand het platteland van Ajalon beheerst. In Jozua 10:12 en 21:24 speelt de stad namelijk een belangrijke rol in een grote veldslag; daardoor veroveren Israël en zijn leger de stad inclusief het omliggende open land.

Lachis:

In de EA-brieven 287, 288, 329, 330 en 333 beschrijven schrijvers de strijd met de Habiru; daarbij doden soldaten van Lachis een leider en nemen ze de stad in. Bovendien bevestigt Jozua 10:23-26, 31-32 deze gebeurtenissen.

Gezer:

In de EA-brieven 271, 287, 298 en 299 melden schrijvers dat de koning van Gezer tegen de Habiru vecht; intussen zetten zijn onderdanen, waaronder zijn eigen broer, kennelijk een opstand in. Zij zetten hem af en steunen uiteindelijk de vijand. Verder vermelden Jozua 10:33, 12:12 en 16:10 dat de koning van Gezer wordt gedood; desalniettemin mogen de Kanaänieten in dat gebied om onbekende redenen blijven en betalen zij belasting aan Israël.

Sidon:

In EA‑brief 144 schrijft de koning van Sidon dat omliggende steden zich bij de Habiru hebben aangesloten; daardoor verzetten zijn troepen zich tegen de opstandelingen. Verder beschrijven Jozua 11:8 en Richteren 1:31 dat soldaten tot aan de grenzen van Sidon vechten, maar zij verdrijven de Kanaänitische inwoners niet uit de stad.

Akko:

In EA-brieven 88 en 366 schrijven getuigen dat Akko de Kanaänitische oorlogsinspanningen tegen de Habiru steunt; later kiest Akko ogenschijnlijk echter van kant verandert het toch en steunt het de Habiru. Bovendien vermeldt Richteren 1:31 dat de Israëlieten er niet in slagen de inwoners van Akko te verdrijven.

Tyrus:

In EA brieven 148 en 228 schrijft de koning van Tyrus over het naburige Sidon en merkt op dat Hazor is overgeleverd aan de Habiru. In Jozua 11:1-13 is te lezen dat Hazor wordt verovert en de vijand wordt opgejaagd tot Sidon.

Megiddo:

In EA-brieven 243, 244 en 246 melden getuigen dat een groep verbonden aan de Habiru Megiddo aanvallen en verslaan. Bovendien doden Jozua 12:21 en Richteren 1:27 de koning van Megiddo; desalniettemin behouden de Kanaänieten de stad.

Gebal:

In EA-brieven 68, 73, 74, 76, 77, 88, 90, 121 en 188 uiten vorsten hun bezorgdheid dat de Habiru mogelijk de stad Gebal zullen aanvallen; echter ontbreekt bewijs dat de Habiru daadwerkelijk aanvielen. Bovendien informeert Jozua in Jozua 13:5 de Israëlieten dat zij de noordelijke landen, waaronder Gebal, nog moeten veroveren; nergens melden bronnen vervolgens dat zij Gebal daadwerkelijk veroverden.

Beth-Shean:

In EA‑brief 289 meldt een bevelhebber dat men een sterk garnizoen voorbereidt en in Beth‑Shean stationeert; echter ontbreken aanwijzingen dat vijanden de stad veroverden. Bovendien waarschuwen de ijzeren strijdwagens die in Beth‑Shean opgesteld staan de Israëlieten in Jozua 17:16, en melden Richteren 1:27 dat de Israëlieten er niet in slagen de inwoners te verdrijven.

Silo:

In EA brief 288 wordt vermeld dat de Habiru Silo aanvallen. Hoewel er in de Bijbel er geen sprake is van een een aanval op Silo, vermeld Jozua 18:1 wel dat het land onderworpen werd en de tabernakel er werd geplaatst.

Sichem:

In EA‑brief 289 meldt een schrijver dat koning Labayu de Habiru het land Sichem toewijst; hoewel bronnen geen aanval op Sichem beschrijven, meldt Jozua 24:1 dat de Israëlieten Sichem volledig controleren.

Jeruzalem:

In EA‑brieven 286, 287 en 288 beschrijven gezanten dat men Jeruzalem en het omliggende gebied als een van de laatste nog aangevallen plaatsen ziet; Richteren 1:8 bevestigt dit.

Abdi‑heba (heerser over Jeruzalem) schrijft: “Het land van de koning is verloren. Ik voer oorlog. Ik bevind mij als een schip midden op zee. Nu hebben de Habiru zelfs de steden van de koning ingenomen. Voor de koning, mijn heer, is er geen enkele gouverneur meer over; alles is verloren. De koning onderneemt niets. Moge de koning boogschutters sturen. Als hij dit jaar geen boogschutters stuurt, verliest het land van de koning, mijn heer, alles.” (EA 286)

Over de Habiru en de Israëlieten

De Amarna-brieven gebruiken de term Habiru voor gewapende groepen die stadstaten bedreigden. Archeologische lagen tonen dat Kanaänitische vondsten in veel plekken werden gevolgd door lagen die associëren met Israëlitische aanwezigheid. Deze sequenties suggereren demografische en culturele veranderingen na conflicten. In de Habiru aanwijzingen kunnen de Hebreeën uit de Bijbel worden geassocieerd. Daardoor is de identificatie van Habiru met de bijbelse Hebreeën zeer plausibel.

Achtergrond: terugkeer uit Egypte

In navolging van Jozef waren de Israëlieten naar Egypte gekomen “uit het land van de Hebreeën” (Gen. 40:15) en de “de God van de Hebreeën” leidde Zijn volk terug (Ex. 9:1,13; 10:3). Dit gebeurde tijdens de heerschappij van farao Amonhotep II, de grootvader van de farao aan wie de Kanaänitische koningen hulp vroegen in de strijd tegen de Habiru.

Reis verder terug in de tijd…

Ontdek Adam Zertals vondst van Jozua’s altaar: offerkruiken, 942 botfragmenten van jonge mannelijke dieren en Egyptische scarabeeën — archeologisch bewijs dat Jozua’s handelingen in de 13–14e eeuw v.Chr. echt gebeurden.